Zo zoek je een melodie op gehoor uit, op elk instrument

Om een melodie op gehoor uit te zoeken, zing je hem eerst, en zoek je daarna de noot die als thuis klinkt en de noot waarop de melodie begint. Tik het ritme, zodat je weet hoeveel noten er zijn. Werk dan één korte frase tegelijk en stel bij elke noot twee vragen: ging hij omhoog, omlaag of bleef hij gelijk, en was het een stap of een sprong? Een stap is de volgende noot van de toonladder, dus in elke richting is er maar één kandidaat. Bij een sprong moet je de grootte van het interval horen. Controleer wat je gevonden hebt door mee te spelen met de opname. Niets hiervan hangt af van het instrument: het werkt precies hetzelfde op piano, gitaar, sax of met je eigen stem.

Kun je hem zingen? Begin daar

Kun je een frase niet uit je hoofd neuriën, dan kun je hem ook niet op een instrument vinden. Je zou zoeken naar iets wat je nog niet hebt. Luister een paar keer naar de frase en neurie hem dan zonder de opname. Waar je geneurie vaag wordt, zit de frase nog niet in je hoofd.

Zoek thuis, dan de eerste noot

De meeste melodieën hebben één noot die als rust klinkt, waar het wijsje zou kunnen stoppen en af zou voelen. Die noot is de tonica, hij geeft de toonsoort haar naam, en melodieën eindigen er heel vaak op. Neurie hem, speel noten op je instrument tot er een klopt, en noem hem 1. Elke andere noot meet je vanaf die noot.

De eerste noot is vaak niet thuis. “Happy Birthday” begint op de 5e noot van de toonladder, onder de tonica: de eerste frase klimt op “to” naar de tonica en zakt op “you” net daaronder. Zoek de eerste noot op dezelfde manier, door te neuriën en te vergelijken. Nu heb je twee vaste punten.

Pak het ritme vóór de noten

Tik of klap het ritme van een frase voordat je ook maar één toonhoogte zoekt. Het ritme vertelt je hoeveel noten er zijn, welke lang zijn, en waar een noot herhaald wordt. Een herhaalde noot krijg je cadeau: je vindt hem één keer. Toonhoogte en ritme samen zijn twee problemen tegelijk; apart is elk ervan klein.

Werk één frase tegelijk

Neem een frase die je in één adem kunt zingen, meestal één regel van de tekst. Zoek elke noot, speel de frase vlekkeloos na, en ga dan verder. Een lang stuk vervaagt meestal in het midden.

De twee vragen bij elke noot

Welke kant ging hij op? Omhoog, omlaag, of nog eens dezelfde noot. De richting alleen sluit al elke noot aan de andere kant uit.

Hoe ver: een stap of een sprong? Een stap gaat naar de volgende noot van de toonladder, één of twee halve tonen verder. Een sprong slaat minstens één toonladdernoot over: een terts, een kwart, een kwint of meer. Stappen klinken als lopen; sprongen klinken als springen.

Samen maken de twee antwoorden van een gok een korte lijst. Ging de noot een stap omhoog, dan is er één kandidaat: de volgende toonladdernoot erboven. Je hoeft niet te beslissen of die stap één halve toon is of twee, want dat beslist de toonsoort. In een majeurtoonsoort zijn de stappen van de 3e naar de 4e noot en van de 7e naar de 1e halve tonen, en elke andere stap is een hele toon.

Waarom bewegen melodieën vooral in stappen?

De eerste frases van “Ode an die Freude”, het thema uit Beethovens Negende Symfonie, bewegen alleen in stappen en herhaalde noten, zonder één enkele sprong. Dat is extreem, maar de neiging is algemeen. Studies die de intervallen tellen in grote verzamelingen melodieën uit veel culturen, vinden steeds weer dat kleine intervallen veel vaker voorkomen dan grote. Muziekpsychologen noemen dit nabijheid in toonhoogte.

Daar zijn goede redenen voor. Melodieën zijn ontstaan om gezongen te worden, en een stem vindt een noot dichtbij nauwkeuriger dan een noot ver weg. Noten die in toonhoogte dicht bij elkaar liggen, houden in het oor ook samen als één lijn; springt een melodie ver en snel, dan kunnen luisteraars twee lijnen gaan horen in plaats van één.

Sprongen hebben een eigen gewoonte: na een grote sprong keert een melodie vaak om, vaak stapsgewijs. Dat komt deels door de omvang. Een grote sprong omhoog landt vlak bij de top van waar het wijsje zich ophoudt, en de meeste ruimte die overblijft ligt eronder. In de derde regel van “Happy Birthday” volgt op de octaafsprong omhoog een daling, eerst in tertsen, dan stapsgewijs.

Voor jou betekent dit dat de beste eerste gok voor elke noot de toonladdernoot ernaast is. Spaar je moeite voor de noten die duidelijk gesprongen zijn.

Hoe hoor je hoe groot een sprong is?

Tel hem. Zing de toonladder op of af van de eerste noot naar de tweede en tel onderweg mee. Zing je 1, 2, 3, 4, 5 en kom je op de doelnoot uit, dan is de sprong een kwint. Het is langzaam, en het werkt altijd.

Hoor hem. Met oefening krijgt elke sprong een eigen klank: een kwint is open en wijd, een octaaf is dezelfde noot hoger. De grootte direct herkennen is wat intervaltraining opbouwt, en dat maakt tellen uiteindelijk overbodig.

“Altijd is Kortjakje ziek” laat in de eerste twee regels beide soorten beweging horen. Het springt een kwint omhoog van “altijd” naar “is”, stapt omhoog midden in “Kortjakje”, stapt dan terug op “ziek” en loopt noot voor noot de toonladder af, helemaal naar huis op “niet”.

Hoor de melodie in getallen

Weet je waar thuis is, nummer dan de noten van de toonladder van 1 tot 7, met 1 als tonica. Een melodie wordt dan een rij getallen die niet van de toonsoort afhangt.

“Altijd is Kortjakje ziek” is 1 1 5 5 6 6 5, dan 4 4 3 3 2 2 1. In C majeur is dat C C G G A A G, F F E E D D C. In G majeur geven dezelfde getallen G G D D E E D, C C B B A A G. De getallen bleven gelijk en de noten verschoven. Zoek de getallen één keer uit en je kunt het wijsje in elke toonsoort spelen, op elk instrument.

De verplaatsbare do is hetzelfde idee met lettergrepen: Do is altijd de tonica van de toonsoort waarin je speelt, dus het wijsje is Do Do Sol Sol La La Sol, Fa Fa Mi Mi Re Re Do. Lettergrepen zijn makkelijker te zingen dan getallen. Benoem je noten met een vaste do, waarbij Do altijd C betekent, dan vermijden getallen de botsing tussen de twee systemen.

In een mineurtoonsoort lopen de getallen nog steeds van 1 tot 7, en liggen de 3e en de 6e een halve toon lager dan in majeur. De 7e kan beide kanten op: mineurmelodieën gebruiken de lage of de verhoogde, afhankelijk van wat op dat moment past.

Wat als een noot niet in de toonladder zit, of een loopje te snel is?

Klinkt de toonladdernoot ernaast verkeerd, probeer dan de noot die een halve toon daarvandaan ligt. Melodieën lenen af en toe noten van buiten de toonsoort, en juist de gok op de toonladder laat ze opvallen.

Is een loopje te snel om te zingen, vertraag het dan: veel audiospelers en oefenapps kunnen een opname langzamer afspelen zonder de toonhoogte te veranderen. Snelle loopjes volgen heel vaak de toonladder, dus zoek de eerste en de laatste noot en probeer de ruimte daartussen stapsgewijs op te vullen.

Controleer door mee te spelen

Speel de afgeronde frase mee met de opname. Een noot die schuurt, zit er meestal een stap naast, staat in het verkeerde octaaf, of ligt buiten de toonsoort. Klinkt alles een beetje vals in plaats van duidelijk fout, dan is de opname misschien niet op de standaardstemming gestemd, of is hij versneld of vertraagd. Stem je instrument dan op de opname.

Hoe word je er beter in?

Twee vaardigheden dragen deze methode, en beide zijn los te trainen. De eerste is een noot terugzingen: kun je een frase niet zingen, dan kun je hem niet vinden, dus de les over een noot terugzingen komt eerst, ook als je nooit van plan bent in het openbaar te zingen. De tweede is de afstand tussen twee noten horen, in beide richtingen. De les over richting en grootte van intervallen legt uit waarom een sprong omlaag moeilijker te horen is dan dezelfde sprong omhoog. De oefening intervallen op gehoor speelt twee noten en vraagt hoe ver ze uit elkaar lagen: de vraag “hoe ver?” in zijn kleinste vorm. En de oefening tik het ritme traint de stap die vóór elke toonhoogte komt.

Lees verder