Intervallen op het gehoor
Een interval is de afstand tussen twee tonen, gemeten in halve tonen — de kleinste stap van de ene toon naar de eerstvolgende, of die nu op een zwarte of een witte toets ligt.
Elk tonenpaar heeft zijn eigen kleur, maar het paar dat er voor spelen op gehoor het meest toe doet, is de grote terts tegenover de kleine terts: vier halve tonen klinken helder, drie klinken donker, en het verschil meteen horen is precies wat gokken naar een melodie onderscheidt van haar werkelijk horen.
De snelste manier om een interval te leren, is het te koppelen aan een liedje dat je al uit je hoofd kent — welk liedje dan ook, in welke taal dan ook, zolang je de eerste twee tonen uit je geheugen kunt neuriën. Als voorbeeld van de methode, niet als lijstje dat je moet gebruiken: het traditionele “Greensleeves” begint met een stijgende kleine terts, de standard “When the Saints Go Marching In” begint met een stijgende grote terts, en “Maria” uit West Side Story begint met een stijgende tritonus — het gespannen interval dat precies tussen een kwart en een kwint in ligt. Schiet geen van die drie je te binnen? Kies dan een liedje dat dat wel doet; de techniek werkt precies hetzelfde. Zodra er een liedje aan een interval hangt, stop je met halve tonen tellen en begin je een klank te herkennen.
Intervallen komen ook in twee vormen voor. Melodisch betekent dat de twee tonen na elkaar klinken, als een melodie. Harmonisch betekent dat ze tegelijk klinken, als een akkoord van maar twee tonen. Allebei beschrijven ze exact dezelfde afstand — je oor hoort het alleen anders, afhankelijk van of de tonen samenvallen.
De oefening hieronder speelt twee tonen en vraagt je de afstand ertussen te benoemen. Antwoord je fout, dan krijg je te zien welk interval je werkelijk hoorde.
Grote vs. kleine terts
Kwart, tritonus en kwint
Alle intervallen, gemengde richtingen