De bassleutel lezen

De bassleutel is de andere helft van genoteerde muziek: de linkerhand van de piano, de basgitaar en de contrabas, de cello, de trombone en lage stemmen wonen hier allemaal. Er is niets aan wat moeilijker is dan de vioolsleutel — het is dezelfde notenbalk met een ander ankerpunt.

Dat ankerpunt is F3, de F net onder de centrale C. De bassleutel wordt ook wel de F-sleutel genoemd, en hij wijst naar zijn eigen noot: de twee puntjes staan boven en onder de vierde lijn van onderaf, en die lijn is F3. Alle andere noten stappen daarvandaan verder.

De vijf lijnen zijn, van onder naar boven, G B D F A. De vier tussenruimtes zijn, van onder naar boven, A C E G. Probeer ze niet te lezen als de vioolsleutel die een stukje is opgeschoven — een noot op de middelste lijn is B in de vioolsleutel en D in de bassleutel. Elke sleutel moet je op zichzelf leren.

De centrale C spiegelt wat ze in de vioolsleutel doet. Daar hing ze één hulplijn onder de notenbalk; hier zit ze één hulplijn erboven. En het is dezelfde noot — dezelfde toets op de piano, dezelfde toonhoogte, alleen op twee plekken opgeschreven. Dat is precies wat de grote notenbalk laat werken: twee notenbalken samengevoegd, de vioolsleutel boven en de bassleutel onder, met de centrale C in de tussenruimte, horend bij allebei. Zodra dat klikt, houden de twee balken op twee systemen te zijn die je uit je hoofd moet leren, en worden ze één doorlopende ladder van toonhoogte met een naad in het midden.

Ook hier betekent lezen herkennen in plaats van tellen. De oefening hieronder tekent één noot en vraagt je die te benoemen. Antwoord je fout, dan krijg je te zien naar welke noot je eigenlijk keek.